Onder de naam ‘Freedom Car’ heeft transportminister Sean Duffy de aanval geopend op autofabrikanten. Met het idee voor een auto zonder technologie willen Republikeinse politici Amerikanen bevrijden. Alleen klopt de logica voor geen meter.
Beloofd, we maken er geen politiek verhaaltje van over de politieke vaardigheden van de Republikeinen in de Verenigde Staten. Wel vertellen we wat over de ideeën van de Freedom Car, die al een tijdje rondwaren in de politiek aldaar. Nieuw is het overigens niet: ook in 2002 wilden Republikeinen een Freedom Car. Toen nog was het bedoeld om Amerikanen te bevrijden van de oliesector door een auto op waterstof te ontwikkelen.
Opgedrongen en irritant
Bij de nieuwe Freedom Car draait het allemaal om verplichte technologie. Auto’s zitten steeds meer vol met allerlei systemen die invloed hebben op het rijgedrag van de bestuurder. Denk hierbij aan systemen die bestuurders waarschuwen als ze hun rijbaan verlaten, te dicht op de voorganger rijden en de snelheidslimiet overschrijden. Volgens de Republikeinen hebben mensen geen keuze meer: de technologie wordt hen opgedrongen en is irritant.

Amerikanen moeten weer auto’s kunnen kopen zonder al die technologie, die alleen maar kapot kan gaan en die niemand wil. Dat is het idee achter de Freedom Car. De politiek wil dus niet de technologie verbieden, maar kopers de keuze geven om er vanaf te zien. Dit betekent dat dergelijke technologie niet meer verplicht wordt, waarbij autofabrikanten de keuze hebben om modellen op de markt te zetten die de technologie niet hebben.
Minder vrijheid
Daar zit natuurlijk een fout in logica. Autofabrikanten bieden nog altijd basismodellen aan. Deze hebben veel minder opties, hebben alleen de verplichte veiligheidsopties en zijn daardoor goedkoper. Wie naar de verkoopcijfers kijkt, ziet echter dat deze basismodellen helemaal niet populair zijn. Kopers willen toch graag deels autonoom rijden en moderne rijhulpsystemen en betalen daar graag wat extra’s voor.

Als de plannen voor de Freedom Car doorgaan en de verplichting voor technologie verdwijnt, betekent dat niet dat autofabrikanten het niet meer in hun auto’s gaan bouwen. De wereld is groter dan alleen de VS en in bijvoorbeeld Europa zijn de regels anders. De voorstellen van minister Duffy legt meer macht bij de autofabrikanten door zelf de regie uit handen te geven. Voor de consument betekent dit juist minder vrijheid. Als de Amerikaanse politiek echt wil dat klanten kunnen kiezen voor een auto zonder technologie, dan moet het met een wet komen die dergelijke auto’s verplicht. Dit ontbreekt volledig in Duffy’s plannen.
De markt bepaalt
Daarbij speelt ook nog de autoverzekering mee. Verzekeringsmaatschappijen vertrouwen meer en meer op gegevens uit verbonden auto’s om hun premies te berekenen. In de Verenigde Staten is het heel normaal om een kastje in te bouwen dat je rijgedrag in de gaten houdt in ruil voor een lagere premie. Zo’n verzekeringsmaatschappij kan dus heel eenvoudig de premie voor een Freedom Car torenhoog maken, omdat zij hier geen gegevens van krijgen en de klant blijkbaar doelbewust voor een ‘verborgen’ auto kiest. Daarmee zou de vraag verdwijnen, en dus het aanbod.
Al met al klinkt een Freedom Car zonder al die bemoeizuchtige technologie best aantrekkelijk. Op deze site klagen we ook wel eens over al die systemen en mijmeren we over auto’s die nog simpel waren. De realiteit is echter dat de technologie er is, het maakt rijden veiliger en de meeste mensen zijn er blij mee. Het niet meer verplichten van de technologie zorgt er niet voor dat het verdwijnt. Dat maakt de Freedom Car niets meer dan een politiek lokkertje. Uiteindelijk bepaalt de markt wat voor technologie er in auto’s zit en daar zit de vrijheid.
