Diesel is terug. Tenminste, een beetje. Waar het een paar jaar geleden nog leek alsof de zelfontbrander definitief naar het autokerkhof werd verwezen na het dieselschandaal rond Volkswagen, haalt Stellantis hem nu weer voorzichtig van stal. Ja, echt. Het moederbedrijf van onder meer Opel, Peugeot, Citroën, Fiat en Alfa Romeo ziet in Europa weer ruimte voor dieselmodellen. En dat is opvallend, want tien jaar geleden had meer dan de helft van de nieuwe auto’s in de EU een dieselmotor. Inmiddels is dat nog maar zo’n 9 procent. In Nederland? Nauwelijks 1 procent. Hier is de diesel in de ban.

Wat is er aan de hand?
Heel simpel: elektrisch verkoopt niet hard genoeg. Stellantis moest onlangs miljarden afschrijven op zijn elektrische tak vanwege tegenvallende verkopen in Europa en de Verenigde Staten. In Amerika is het politieke klimaat onder president Donald Trump een stuk minder EV-vriendelijk geworden. Subsidies zijn geschrapt en emissieregels versoepeld. Dat helpt de stekkerauto niet bepaald vooruit.
Ook in Europa loopt het niet zoals gehoopt. De elektrische modellen van Stellantis, denk aan varianten van de Opel Astra en Peugeot 308, vinden hun weg naar de klant, maar niet in het tempo dat nodig is om de ambitieuze investeringen terug te verdienen. Dus grijpt Stellantis terug op iets wat het al decennialang beheerst: diesel.
In diverse Europese showrooms staan weer dieselversies van onder meer de Astra, de 308 en praktische modellen als de Peugeot Rifter en Citroën Berlingo. Ook bij de luxere labels binnen het concern blijven sommige diesels langer leverbaar vanwege “aanhoudende vraag”. En eerlijk is eerlijk: rationeel valt er iets voor te zeggen. Moderne diesels stoten minder CO₂ uit dan vergelijkbare benzineauto’s en zijn qua lokale uitstoot schoner dan ooit. Bovendien is de techniek grotendeels afgeschreven. Er hoeven geen miljarden meer in ontwikkeling te worden gestoken. Dat maakt elke verkochte diesel relatief winstgevend.
Daar komt nog iets bij: Chinese merken domineren vooral in het elektrische segment. Ze bouwen geen diesels voor Europa. Door diesel weer nadrukkelijker in de etalage te zetten, ontwijkt Stellantis directe concurrentie uit China.

Is dit slim?
Op korte termijn misschien wel. In Zuid-, Centraal- en Oost-Europa is nog altijd vraag naar diesel, al daalt het aandeel ook daar. Een nieuwe diesel is bovendien vaak goedkoper dan een vergelijkbare EV. In tijden van economische onzekerheid is prijs nog altijd een doorslaggevende factor. In Nederland hoef je er weinig van te verwachten. Door het belastingklimaat zijn diesels hier structureel duurder in aanschaf en gebruik. Zonder beleidswijziging blijft het marktaandeel verwaarloosbaar.
Toch voelt het als een tussenfase. Een strategische pas op de plaats. Stellantis benadrukt zelf volledig toegewijd te blijven aan elektrificatie en komt met tientallen nieuwe stekkermodellen. Maar de realiteit is duidelijk: de transitie gaat minder snel dan gepland, en aandeelhouders zijn niet onder de indruk. Diesel maakt dus geen glorieuze comeback. Het is geen renaissance, eerder een tijdelijke reddingsboei. Voorlopig mag de zelfontbrander nog even blijven meespelen. Maar op de lange termijn? Dan zal ook Stellantis echt vol aan de stekker moeten.
